Blog

Hiv: 7 feiten en fabels

Hiv: 7 feiten en fabels

Hiv, wat is waar en niet waar?

Over hiv doen al jaren de meest vreemde geruchten de ronde. Maar wat is waar en wat is onzin? De hoogste tijd om de feiten en fabels over hiv van elkaar te scheiden.

Fabel 1:

Je krijgt hiv als je iemand met hiv kust of uit zijn of haar glas drinkt.

Feit:

Het hiv-virus verspreidt zich alleen via bloedcontact of onveilig vrijen. Je kunt een hiv-patiënt dus gerust knuffelen, zoenen of een hap nemen van zijn of haar broodje. Ook kun je geen hiv krijgen als iemand niest, hoest, of als je op een vieze wc-bril gaat zitten.

Fabel 2:

Als je hiv hebt, ga je snel dood.

Feit:

Vroeger was hiv inderdaad een dodelijke ziekte. Het virus brak de weerstand net zolang af totdat je aids kreeg en overleed aan de gevolgen daarvan. Tegenwoordig kun je snel achterhalen of je besmet met het hiv virus door middel van een hiv test. Binnen enkele ogenblikken weet je de uitslag en kun je direct actie ondernemen als blijkt dat je hiv positief bent. Er zijn hiv medicijnen die het virus een halt toeroepen. Hiv is niet te genezen, maar is een chronische ziekte geworden waarmee je – mits je trouw je medicijnen slikt- een normale levensverwachting hebt.

Fabel 3:

Je kunt alleen hiv krijgen als je zonder condoom vrijt.

Feit:

Een condoom beschermt tegen seksueel overdraagbare aandoeningen, waaronder hiv. Maar dan moet die condoom wel goed blijven zitten en niet scheuren. Je bent goed, maar nooit 100% beschermd tegen een soa als je met een condoom vrijt. Bovendien kun je hiv ook oplopen via onbeschermde orale seks of bloedcontact, bijvoorbeeld door het gebruik van besmette naalden of scheermesjes.

Fabel 4:

Zwangere vrouwen met hiv besmetten altijd hun ongeboren kind.

Feit:

Bij een normale zwangerschap kan het virus gedurende de eerste 28 weken niet overgaan van moeder op kind. Daarna wordt het risico wel groter, vooral tijdens de bevalling. Hiv-remmende medicijnen voorkomen dat hiv gedurende de zwangerschap of geboorte wordt doorgegeven aan het kind. Vrouwen die nog geen hiv-remmers gebruikten, krijgen uiterlijk vanaf de 24e week medicatie voorgeschreven. In Nederland krijgt iedere zwangere vrouw een hiv-test bij de eerste controle.

Fabel 5:

Vrouwen met hiv mogen gewoon borstvoeding geven.

Feit:

Moedermelk bevat juist heel veel cellen met het hiv-virus. Daarom wordt het geven van borstvoeding uitdrukkelijk afgeraden en krijgen baby’s van hiv-moeders flesvoeding.

Fabel 6:

Hiv kan overgaan met medicijnen.

Feit:

Het hiv-virus verdwijnt nooit uit je lichaam en zal altijd weer de kop opsteken als je geen medicijnen neemt. Je moet dus de rest van je leven hiv-remmers gebruiken om te voorkomen dat je ernstig ziek wordt.

Fabel 7:

Als je hiv-remmers slikt, kun je een ander niet meer besmetten.

Feit:

Als de hiv-medicatie goed aanslaat, dan is het hiv-virus op een gegeven moment niet meer meetbaar in het bloed. Je kunt het virus dan ook niet meer overdragen op een ander. De medicatie werkt echter alleen goed als deze heel trouw en nauwgezet wordt ingenomen. Bovendien is het ook niet bekend hoe lang het duurt voordat de medicatie aanslaat. Laat je dus regelmatig controleren om zeker te weten dat het virus onmeetbaar is (en blijft). Houd in gedachten dat vrijen zonder condoom nooit een goed idee is: door onveilig vrijen kun je allerlei andere soa’s oplopen.

Bronnen: RIVM, sense.info, Volkskrant, Aidsfonds