Blog

6 vragen over lage bloeddruk

6 vragen over lage bloeddruk

Lage bloeddruk

De bloeddruk is de kracht waarmee het hart het bloed in ons lichaam rondpompt. Een lage bloeddruk komt regelmatig voor en kan verschillende oorzaken hebben. In dit artikel beantwoorden we zes vragen over een lage bloeddruk.

1. Wat is de bloeddruk?

Het hart trekt ritmisch samen, waardoor het bloed via de slagaders het lichaam in gestuwd wordt. Zo worden de organen en weefsels continue van zuurstof en voedingsstoffen voorzien. De bloeddruk bestaat uit twee getallen; de bovendruk en de onderdruk. Bij elke samentrekking van het hart oefent het bloed een kracht uit op de wanden van de slagaders. Dit is de bovendruk. Bij een gezonde volwassene is de bovendruk tussen de 100 en 140 mm Hg (millimeter kwikdruk). Na de samentrekking ontspant het hart heel even. De druk op de slagaders op het moment van ontspannen wordt de onderdruk genoemd. Bij een gezonde volwassene ligt deze waarde tussen de 60 en 80 mm Hg. De bloeddruk bestaat dus altijd uit twee waarden. Bijvoorbeeld 120/80 (120 over 80) waarbij 120 de bovendruk is en 80 de onderdruk. De bloeddruk kan gemeten worden met een bloeddrukmeter, via een band om de bovenarm.

2. Wat is een lage bloeddruk?

Een lage bloeddruk wordt ook wel hypotensie genoemd. Dit komt minder vaak voor dan een hoge bloeddruk. Bij een druk van 90/60 of minder is er sprake van een lage bloeddruk. Overigens is het heel normaal dat de ene persoon een wat lagere bloeddruk heeft dan de ander en ook gedurende de dag kan de bloeddruk schommelen. Er is pas sprake van een te lage bloeddruk als je er last van hebt of als het lichaam niet normaal meer functioneert.

3. Wanneer kan een lage bloeddruk ontstaan?

Er zijn diverse oorzaken voor een lage bloeddruk:

  1. Bloedverlies: als je veel bloed verliest door bijvoorbeeld een grote wond kan het hart minder bloed rondpompen, waardoor de druk in de slagaders – en dus de bloeddruk – daalt.
  2. Uitdroging: bloed bestaat voor een deel uit vocht. Als er sprake is van uitdroging neemt het bloedvolume af en is er vaak ook sprake van een lage bloeddruk. Dit kan bijvoorbeeld optreden bij hevige diarree, hevige transpiratie, hoge koorts, extreme hitte of vochtverlies door brandwonden.
  3. Hartinfarct of hartritmestoornis: als het hart niet goed samentrekt wordt het bloed niet (goed) rondgepompt door het lichaam. Er is dan een te lage bloeddruk.
  4. Bepaalde medicijnen kunnen hypotensie als bijwerking hebben.

4. Wat merk ik als mijn bloeddruk te laag is?

Meestal merk je zelf niet dat je bloeddruk laag is en heb je er geen last van. Vaak is hypotensie een bijverschijnsel bij een andere aandoening, zoals een hartprobleem of uitdroging. Soms kun je last hebben van duizeligheid, sterretjes zien of flauwvallen door de te lage bloeddruk. Dit komt doordat er plotseling te weinig bloed naar je hersenen stroomt. Dit kan bijvoorbeeld optreden als je ligt en vervolgens snel gaat zitten of staan.

5. Wat kan ik doen aan mijn lage bloeddruk?

Een lage bloeddruk hoeft niet altijd behandeld te worden. Als de oorzaak van de lage bloeddruk bekend is zal de bloeddruk weer normaal worden zodra deze behandeld is. Als de lage bloeddruk ontstaat door uitdroging is het belangrijk om het vochttekort in het lichaam weer aan te vullen. Daarom is het belangrijk om bij ziekten waarbij je veel overgeeft of diarree hebt, bij extreme hitte of transpiratie voldoende te drinken. Neem eventueel een ORS, een middel van water, zout en suiker.

6. Wat doe ik als ik duizelig ben door de lage bloeddruk?

Als je duizelig bent of flauwgevallen bent door de lage bloeddruk moet je er zo snel mogelijk voor zorgen dat er weer voldoende bloed naar je hersenen stroomt. Dit doe je door je benen omhoog te leggen. Bijvoorbeeld door op de grond te gaan liggen met je benen op een stoel of op bed. Ook kun je op een stoel gaan zitten met je hoofd tussen de knieën. De duizeligheid verdwijnt dan vanzelf.

Blijven de klachten aanhouden, komen ze steeds weer terug of denk je dat de klachten door een andere aandoening veroorzaakt worden, neem dan altijd contact op met je huisarts. Deze kan je onderzoeken en bepalen of een behandeling nodig is.

Bronnen: Gezondheidsplein